De Keldel van de Paus

De twee kelderruimtes boven elkaar zijn uit de rotsen gehouwen. Het interieur vorm twee hoofdbeuken met muren waarin holtes zijn uitgehouwen om plaats te bieden aan de vaten. Volgens de overlevering, behoorde deze kelder tot de voorname kardinaalswoning van Aubert.
 
 

De bovenverdieping is voorzien van een tongewelf, verstevigd door drie bogen.
Achterin, tegenover de kant waar de deur zit, bevindt zich de trap die naar de onderste kelder voert. Daarboven bevindt zich een schacht die vroeger uitkwam onder een klein paviljoen. Die schacht diende om de wijn naar boven te halen en tevens voor de ventilatie. Deze verdieping bevatte vier rijen vaten. De wijn liep in de vaten via leidingen van plaatijzer die dwars door de gewelven naar de onderste kelder liepen.
De onderverdieping is verdeeld door drie steunpunten in het midden, noord-zuid georiënteerd. Deze ondersteunen vier bogen waarvan de laatste gespleten is om te voorkomen dat boven op de trap uitkomt. Zo bestaat deze verdieping uit twee hoofdbeuken met tongewelf die elke toegang bieden tot vijf nissen.
De vloer loopt schuin af met een goot of omloop die uitloopt in een kleine holte om eventueel weggelopen wijn in op te vangen.
De twee middelste bogen waren gebarricadeerd door twee grote vaten elk zodat alleen de twee buitenste bogen doorgang boden. Tegen deze vaten bevond zich in elke beuk een rij vaten en één in elk van de tien nissen.
Deze kelder is aan de zuidkant geventileerd door de schacht boven de trap en aan de noordkant door twee lange schuine ramen, gesloten door een glazen frame dat bij zuidenwind en mooi weer werd geopend. Deze ramen komen aan weerszijden van de kelderdeur uit.