1372 - 1649

  • La Chartreuse de 1372 à 1649
  • Tombeau Innocent 6
  • Couronnement Quarton

HET TWEEDE KARTUIZERKLOOSTER, DE TIJD VAN DE RIJKE BESCHERMHEREN

Het klooster verloor zijn oprichter in 1362, maar diens neven, alle kardinaal, zouden zijn werk een tiental jaren voortzetten. In 1365 brandde het paleis van Aubert-Innocentius VI af onder onbekende omstandigheden.

Pierre de Monteruc besloot op dezelfde plaats een tweede kartuizerklooster te bouwen; dankzij zijn gulle schenkingen kreeg hij, terecht, de naam van “tweede stichter van de Chartreuse” en werd het aantal paters verdubbeld tot 24. Er moesten dus nieuw cellen worden bijgebouwd: deze werden gegroepeerd rond een nieuw klooster, het Sint-Jansklooster, of “bovenklooster” dat rond 1372 wordt gebouwd. Ook de kerk werd te klein. Men bouwde een nieuwe travee, geflankeerd door de kapellen Saint Bruno en Saint Michel. Dit nieuwe gedeelte was bestemd voor de broeders, terwijl de paters in het oude gedeelte van het gebouw samenkwamen.

 

Pierre de Monteruc was niet het enige lid van de familie Aubert dat zich gul betoonde: ook de kardinaal-priester Audouin Aubert, bisschop van Ostie, en de kardinaal-priester Estienne Aubert, bisschop van Carcassone, hechtten er belang aan het werk van Innocentius VI voort te zetten. Zij deden dit door grote bedragen geld te vermaken en door een gedeelte van het gebouw te herbouwen, nadat het door brand was verwoest. Men ziet hoe nauw het lot van het kartuizerklooster was verbonden met de bescherming door deze illustere familie. De generositeit van de familie Aubert bezorgde de gemeenschap rijkdom. Andere belangrijke plaatselijke families volgden zijn voorbeeld en schonken gronden en gebouwen aan het kartuizerklooster. Dankzij deze niet geringe inkomsten kon het klooster armen een aalmoes geven en beroemde kunstenaars (1) opdracht geven voor de fraaie muurschilderingen en schilderijen die de wanden sierden.

Aan het begin van de 17e eeuw bezat het kartuizerklooster een aanzienlijk vermogen; niet alleen landerijen in de omgeving van het klooster (Avignon, eilanden in de Rhône, Pujaut, Aramon, Sorgues...) maar ook priorijen in het comtat Venaissin en in Pont Saint Esprit. - Na 1603 legde Claude de Montconis, uit Lyon, de plassen van Pujaut en Rochefort droog waarvoor de kartuizers hengelrechten hadden. Ter vergoeding ontving het klooster 500 hectaren akkerland waarop drie boerderijen werden gebouwd: Saint Hugues (1616), Saint Bruno (1653) en Saint Anthelme (1681). Honderd jaar later liepen daar 542 schapen en 213 ooien te grazen. Het kartuizerklooster had een opmerkelijke uitstraling. Er werden novicen opgenomen, beroemde kerkheren en geleerden gevormd en het bood steun aan armen in periodes van armoede, pest of overstroming.

 

(1) Vanaf de 15e eeuw beijverden de kartuizers of althans hun rijke beschermheren zich om het godshuis op te luisteren en deden beroep op grote meesters. De Kroning van Maria van Enguerrand Quarton symboliseert beter dan welk ander werk ook uit deze tijd, de vereniging van kunst en geloof, waar de muren van het kartuizerklooster met luister uiting aan gaven.
Door de tijd heen werden de muren, als grondvesten van het Geloof, met schitterende werken getooid die te danken zijn aan Philippe de Champaigne en Nicolas Mignard. In 1696, met de komst van broeder Jean-Gabriel Imbert, ontwikkelde zich binnen het kartuizerklooster een heuse kunstschool. De onderwerpen waren altijd religieus en de kunst bleef ondergeschikt aan en in dienst van de spiritualiteit. Wij zien hier echter dat een enorme weg is afgelegd sinds de ingetogen soberheid van de Heilige Bruno en de terughoudendheid van de kartuizers ten opzichte van afbeeldingen waarvan men vreesde dat deze de geest afhielden van zuivere contemplatie. Het is misschien overbodig te vermelden dat het Concilie van Trente (1645-1663), door het gebruik van afbeeldingen legitiem te verklaren, deze verzoeningen al uitdrukkelijk had bezegeld.