1353 - 1372

  • La Chartreuse de 1353 à 1372

HET EERSTE KARTUIZERKLOOSTER

Kort nadat Innocentius VI in 1352 tot paus was verkozen, besloot hij bij zijn paleis een kartuizerklooster op te richten. Enerzijds als bewijs van trouw, vriendschap en erkenning aan Jean Birelle, prior-generaal van de kartuizers, maar ook als symbool voor de terugkeer naar ingetogenheid, na de luisterrijke periode van zijn voorganger Clementius V. De stichtingsbul van het kartuizerklooster uit 1356, vermeldde de oprichting van een gemeenschap met twaalf paters, één prior, veertien conversbroeders, twee ziekenverplegers, twee klerken en negen huisbediendes met voldoende middelen voor hun onderhoud. Het duurde enkele jaren voordat de bouw van het geheel was voltooid met aan de oostkant van het paleis en het consistorie, een groot kloosterhof (kerkhofklooster genoemd, waar tot aan de Revolutie de monniken werden begraven). Het werd aan drie zijden omgeven door 13 monnikenwoningen en een klein klooster, met een kapittelzaal, een kerk, een sacristie en een klokkentoren die tegenwoordig niet meer bestaan. De kerk werd ingewijd in 1358. Enkele praktische gebouwen nodig voor het dagelijks leven van de gemeenschap, wasruimte (hier “bugade” genoemd) en bakkerij zijn van veel recentere datum.

Het geheel werd omgeven door hoge muren. Alles werd gefinancierd uit de eigen middelen van de paus. In 1360 liet Innocentius VI met het oog op zijn naderende dood, een grafkapel bouwen ten zuiden van de kerk.

Op 12 augustus 1362 vaardigde de paus een bul uit waarmee hij verschillende voorrechten verleende aan het kartuizerklooster. Het werd vrijgesteld van lasten, belastingen en subsidies verschuldigd aan het pauselijk hof en van betaling van de bijdrage (“dime”) over huidige en toekomstige bezittingen. Datzelfde jaar stelde de koning van Frankrijk, Jan II de Goede, het kartuizerklooster ook vrij van alle belastingen over graan, wijn en andere levensmiddelen. Zijn opvolgers volgden zijn voorbeeld en breidden de voorrechten van het klooster verder uit: van Karel V in 1380 tot Lodewijk XV in 1724 gaven de koningen van Frankrijk, vaak ter gelegenheid van een bezoek aan Villeneuve-lès-Avignon, blijk van koninklijke gulheid .

Innocentius VI stierf op 12 september 1362. Hij had de wens kenbaar gemaakt te worden begraven in de kerk van het kartuizerklooster. Zijn graf in de kapel van de heilige Drie-eenheid is het werk van de architect Bertrand Nogayrol en de beeldhouwers Thomas de Tournon. Na een kort verblijf in de kerk Notre Dame des Doms, werd het stoffelijk overschot van de paus er bijgezet op 22 november 1362 in aanwezigheid van de koning van Frankrijk. In 1798 werd het graf toegevoegd aan de lijst van goederen uit Villeneuve die bescherming verdienden krachtens de wetten uit het jaar III inzake voorwerpen van historische of artistieke waarde. Het graf werd staatseigendom maar bleef in de oorspronkelijke kapel. Deze werd verkocht aan een plaatselijke landbouwer die er een opslagruimte van maakte en het tot een erbarmelijke staat liet vervallen. Zo trof Prosper Mérimée, inspecteur van historische monumenten, het graf aan op 11 september 1834. Een jaar later liet hij het overplaatsen naar de kapel van het gemeentelijke Hospice. In 1959 vond Innocentius VI de rust terug van zijn kapel in de kerk.